· 

Marhaban filardun: welkom in jordanië

Welkom geheten word je overal in Jordanië. Gepaard met een glimlach en vaak ook dampende thee. De shei is sterk en zoet en wordt geschonken in glaasjes met een gouden rand. Het welkom is zoet; waar dan ook in Jordanië. Te midden van alle onrust in het Midden-Oosten is het land een baken van veiligheid en gastvrijheid. Rijdend door het Bijbelse landschap wordt met flarden duidelijk waar deze gastvrijheid vandaan komt.

De vrouw van Lot

Nabij de Dode Zee ligt een prachtig, maar dor woestijngebied. We passeren een rotsformatie die de vrouw van Lot moet voorstellen. Zij veranderde in een zoutpilaar toen zij achterom keek naar het brandende Sodom. Het was dan ook hier, waar de Bijbelse steden Sodom en Gomorra lagen. Volgens de overlevering veranderde de ooit groene oase in een maanlandschap, vanwege een gebrek aan gastvrijheid: 

‘Zie, dit was de ongerechtigheid van je zuster Sodom 
Trots, omdat er brood zát was 
En tevredenheid over het kalme leven 
De hand van een arme 
Pakte ze nooit vast’ (Ezechiël) 

Ook Jezus liet later merken dat het oordeel hiermee te maken had: 

‘En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schud het stof van uw voeten af.’

Prachtige gebruiken van de bedoeïenen

Misschien dat de bedoeïenen, de huidige bewoners van de woestijn, deze les hebben geleerd als geen ander. De prachtige bevolking mag dan tegenwoordig niet meer helemaal een nomadenbestaan leiden; hun gebruiken worden nog steeds in ere gehouden. Meer dan eens wordt de shei aangeboden door mannen met rood-wit geblokte hoofddoeken, waarvan er één een prachtig verhaal vertelt over de band tussen de woestijn en gastvrijheid: 

Twee mannen doorkruisten de woestijn toen ze de tent van een bedoeïen zagen en hem vroegen om onderdak. Ondanks dat hij hen niet kende, heette hij hen welkom volgens de code van de nomaden: een kameel werd geslacht en het vlees werd bereid voor een overdadig diner. De volgende dag werden de vreemdelingen wakker en wilden zij verder gaan met hun reis. Omdat de bedoeïen niet thuis was, gaven ze zijn vrouw honderd dinar en verontschuldigden zij zich omdat ze niet meer konden wachten. Al snel zou het te warm worden om te reizen. 
Toen ze vier uur onderweg waren, hoorden ze een stem die hen riep. Toen ze achterom keken, zagen ze de bedoeïen. Hij kwam achter hen aan en gooide het geld op de grond. ‘Ik gaf jullie zo’n warm welkom! Schamen jullie je niet?’ Verrast zeiden de vreemdelingen dat de kameel vast meer geld waard was, maar dat ze niet meer geld bij zich hadden. 

‘Ik heb het niet over het bedrag’, zei hij. ‘De woestijn verwelkomt bedoeïenen waar ze ook heen gaan en vraagt nooit iets terug. Als we moesten betalen, hoe konden we dan leven? Jullie verwelkomen in mijn tent is alsof ik een fractie terugbetaal van wat het leven ons heeft gegeven.’